FIDE Regels voor het Schaakspel
Officiële Nederlandse vertaling KNSB maart 2005
De FIDE Regels voor het Schaakspel gelden voor het bordschaak.
De Engelse tekst is de authentieke versie van de Regels voor het Schaakspel, aangenomen op het 75e FIDE-Congres te Calvia (Mallorca), oktober 2004 en geldt vanaf 1 juli 2005.
In deze Regels betekenen de woorden 'hij', 'hem' en 'zijn' tevens 'zij' en 'haar'.
Voorwoord
De Regels voor het Schaakspel kunnen niet alle mogelijke situaties, die tijdens een partij voorkomen, dekken. Evenmin kunnen ze alle administratieve kwesties regelen. In situaties die niet nauwkeurig door een artikel van de Regels worden geregeld moet het mogelijk zijn om tot een juiste beslissing te komen door analoge situaties in overweging te nemen, die wel in de Regels voor het Schaakspel zijn behandeld. In de Regels wordt er vanuit gegaan dat arbiters over de vereiste bekwaamheid beschikken, een goed beoordelingsvermogen hebben en volstrekt objectief zijn. Een te gedetailleerde beschrijving van een regel kan ertoe leiden dat de arbiter niet in volle vrijheid kan beslissen en zou hem daardoor kunnen beletten de oplossing van een probleem te vinden, gebaseerd op billijkheid, logica en bijzondere omstandigheden.
De FIDE doet een beroep op alle schakers en schaakbonden deze opvatting te aanvaarden. Een aangesloten schaakbond heeft de vrijheid om regels die meer gedetailleerd zijn, in te voeren onder voorwaarde dat:
-
zij in geen enkel opzicht in strijd zijn met de officiële FIDE Regels voor het Schaakspel;
-
zij beperkt zijn tot het gebied van de desbetreffende bond;
-
zij niet gelden voor een FIDE-wedstrijd, -kampioenschap of -kwalificatietoernooi, of voor een FIDE-titel- of ratingtoernooi.
Basis spelregels
Artikel 1: Aard en doel van het schaakspel
|
1.1
|
De schaakpartij wordt gespeeld tussen twee tegenstanders die om beurten hun stukken verplaatsen op een vierkant bord, "schaakbord" genoemd. De speler met de witte stukken begint de partij. Men zegt dat een speler "aan zet is", wanneer de zet van zijn tegenstander is "gedaan". |
|
1.2
|
Het is de bedoeling van elke speler om de koning van de tegenstander zodanig "aan te vallen", dat de tegenstander geen reglementaire zet meer kan doen. Men zegt dat een speler die dit doel bereikt, de koning van de tegenstander heeft "matgezet" en dat hij de partij heeft gewonnen. Het is niet toegestaan de eigen koning aangevallen te laten staan of een zet te doen waardoor de eigen koning aangevallen wordt. Ook is het niet toegestaan de koning van de tegenstander te "slaan". De tegenstander, wiens koning is matgezet, heeft de partij verloren. |
|
1.3 |
Als de stelling zodanig is dat geen der spelers nog mat kan zetten, dan is de partij remise. |
Artikel 2: De beginopstelling van de stukken op het schaakbord
|
2.1
|
Het schaakbord bestaat uit 64 gelijke vierkante velden, in een 8 bij 8 patroon, die afwisselend licht (de "witte" velden) en donker (de "zwarte" velden) zijn gekleurd. Het schaakbord wordt zodanig tussen de spelers geplaatst, dat het hoekveld dat het dichtst bij de rechterzijde van de speler ligt, wit is. |
||||||||
|
2.2
|
Bij het begin van de partij heeft de ene speler 16 lichtgekleurde stukken (de "witte" stukken); de ander heeft 16 donkergekleurde stukken (de "zwarte" stukken). Deze stukken zijn de volgende:
|
||||||||
|
2.3
|
De beginopstelling van de stukken op het schaakbord is als volgt: |
||||||||
|
2.4 |
De acht verticale kolommen van velden noemt men "lijnen". De acht horizontale reeksen van velden noemt men "rijen". Een rechte lijn van velden van dezelfde kleur waarvan hoekpunten elkaar raken, wordt een "diagonaal" genoemd. |
Artikel 3: De loop der stukken
|
3.1
|
Het is niet toegestaan een stuk te verplaatsen naar een veld waarop een stuk van dezelfde kleur staat. Als een stuk naar een veld gaat waarop een stuk van de tegenstander staat, dan wordt dit geslagen en, als deel van deze zet, verwijderd van het schaakbord. Men zegt dat een stuk een stuk van de tegenstander aanvalt, als het eerstgenoemde stuk op dat veld iets kan slaan overeenkomstig de artikelen 3.2 tot en met 3.8. Een stuk valt een veld aan, zelfs als het stuk niet naar het veld verplaatst mag worden omdat het dan de eigen koning aangevallen laat staan of omdat de koning van de eigen kleur daardoor aangevallen wordt. |
|
3.2
|
De loper kan worden verplaatst naar elk veld van een diagonaal waarop hij staat. |
|
3.3
|
De toren kan worden verplaatst naar elk veld van de lijn of rij waarop hij staat. |
|
3.4
|
De dame kan worden verplaatst naar elk veld van de lijn, de rij of een diagonaal waarop zij staat. |
|
3.5 |
Bij deze zetten kan de loper, toren of dame niet over een stuk heen worden verplaatst. |
|
3.6 |
Het paard kan worden verplaatst naar een van de dichtstbijzijnde velden die niet op dezelfde lijn, rij of diagonaal liggen als waarop het staat. |
|
3.7
|
|
|
3.8
|
|
|
3.9
|
Men zegt dat de koning "schaak" staat, als hij wordt aangevallen door een of meer stukken van de tegenstander, zelfs als deze stukken niet naar het veld van de koning kunnen omdat ze dan de eigen koning in schaak zetten of laten staan. Een stuk mag niet worden verplaatst als daardoor de eigen koning schaak komt te staan of schaak blijft staan. |
Artikel 4: Het uitvoeren van een zet.
|
4.1 |
Bij het doen van een zet mag slechts één hand worden gebruikt. |
|
4.2 |
Onder voorwaarde dat hij eerst zijn bedoeling daartoe kenbaar maakt (bijvoorbeeld door "j'adoube" of "ik zet recht" te zeggen), mag de aan zet zijnde speler een of meer stukken op hun velden rechtzetten. |
|
4.3
|
Als de aan zet zijnde speler, behoudens het in artikel 4.2 vermelde, opzettelijk op het schaakbord:
|
|
4.4
|
|
|
4.5 |
Als geen van de aangeraakte stukken kan worden verplaatst of geslagen, dan is elke andere reglementaire zet toegestaan. |
|
4.6
|
Als een stuk op een veld is losgelaten en het een reglementaire zet of een deel van een reglementaire zet betreft, dan mag het niet meer op een ander veld worden geplaatst. De zet wordt beschouwd als te zijn gedaan, als aan alle relevante vereisten van artikel 3 is voldaan.
|
|
4.7 |
Een speler verspeelt zijn recht op een claim tegen een overtreding door zijn tegenstander van artikel 4.3 of 4.4, als hij met opzet een stuk aanraakt. |
Artikel 5: Het einde van de partij
|
5.1
|
|
|
5.2
|
|
Wedstrijdregels
Artikel 6: De schaakklok
|
6.1
|
Een "schaakklok" is een klok met twee uurwerken, zo met elkaar verbonden dat er op elk moment slechts één kan lopen. "Klok" in de Regels voor het Schaakspel betekent een van de twee uurwerken. Het "vallen van een vlag" betekent het verstreken zijn van de aan een speler toegewezen bedenktijd. |
|
6.2
|
|
|
6.3 |
Elke klok heeft een "vlag". Onmiddellijk nadat een vlag valt, moet worden gecontroleerd of aan het bepaalde in artikel 6.2a is voldaan. |
|
6.4 |
Vóór het begin van de partij bepaalt de arbiter waar de schaakklok wordt geplaatst. |
|
6.5 |
Als het tijd is om de partij te beginnen, dan moet de klok van de speler met de witte stukken worden aangezet. |
|
6.6 |
Als geen van beide spelers bij het begin aanwezig is, dan verliest de speler die met de witte stukken speelt alle tijd die verloopt tot hij arriveert, tenzij de regels voor de wedstrijd anders bepalen of de arbiter anders beslist. |
|
6.7 |
Een speler verliest de partij als hij meer dan een uur na het te voren vastgestelde aanvangstijdstip van de zitting aan het schaakbord verschijnt, tenzij de regels van de wedstrijd anders bepalen of de arbiter anders beslist. |
|
6.8
|
|
|
6.9 |
Een vlag wordt beschouwd te zijn gevallen als de arbiter het feit waarneemt of als een der spelers dit terecht claimt. |
|
6.10
|
Als een speler het voorgeschreven aantal zetten niet heeft voltooid in de toegewezen bedenktijd, dan is de partij voor hem verloren, tenzij artikel 5.1 of een van de artikelen 5.2a, b of c van toepassing is. Als de stelling echter zodanig is dat de tegenstander de koning van de speler nooit mat kan zetten, door welke reeks reglementaire zetten dan ook (zelfs bij het slechtst mogelijke tegenspel), dan is de partij remise. |
|
6.11 |
Elke aanduiding van de klokken is beslissend tenzij er sprake is van een kennelijk gebrek. Een schaakklok met een kennelijk gebrek moet worden vervangen. De arbiter moet de klok vervangen en met uiterste nauwkeurigheid bepalen welke tijden op de nieuwe schaakklok moeten worden aangebracht. |
|
6.12
|
Als beide vlaggen zijn gevallen en het onmogelijk is vast te stellen welke vlag het eerst viel, dan
|
|
6.13
|
|
|
6.14 |
Als er zich een onregelmatigheid voordoet en/of de stelling moet worden teruggebracht naar een vorige, dan moet de arbiter met uiterste nauwkeurigheid bepalen welke tijden op de klokken moeten worden aangebracht. Zonodig zal hij ook de zettenteller van de klok bijstellen. |
|
6.15 |
Schermen, monitoren en demonstratie-borden die de bereikte stelling, de zetten en het aantal zetten tonen, alsmede klokken die ook het aantal zetten weergeven, zijn toegestaan in de speelzaal. De speler mag een claim echter niet enkel baseren op iets dat op deze wijze wordt getoond. |
Artikel 7: Onregelmatigheden
|
7.1
|
|
|
7.2 |
Als een partij begonnen is met verwisselde kleuren, wordt er doorgespeeld, tenzij de arbiter anders beslist. |
|
7.3 |
Als een speler een of meer stukken niet goed op het schaakbord heeft geplaatst, dan moet hij de stelling in zijn eigen tijd herstellen. Indien noodzakelijk kan zowel de speler als zijn tegenstander de klokken stilzetten en om de assistentie van de arbiter vragen. De arbiter kan de speler die de stukken verkeerd plaatste, bestraffen. |
|
7.4 |
|
|
7.5 |
Wanneer gedurende een partij blijkt dat de stukken niet meer op hun juiste velden staan, wordt de stelling teruggebracht tot de stelling voor de onregelmatigheid. Als de stelling onmiddellijk voor de onregelmatigheid niet met zekerheid kan worden vastgesteld, zal de partij worden voortgezet vanuit de laatste vast te stellen stelling voor de onregelmatigheid. De klokken worden bijgesteld overeenkomstig artikel 6.14. De partij wordt dan voortgezet vanuit deze herstelde stelling. |
Artikel 8: Het noteren van de zetten
|
8.1
|
Tijdens de partij is elke speler verplicht zijn eigen zetten en die van zijn tegenstander op de juiste wijze te noteren, zet na zet, zo duidelijk en leesbaar mogelijk, in de algebraïsche notatie (aanhangsel E), op het notatieformulier dat voor de wedstrijd is voorgeschreven. Het is niet toegestaan zetten vooraf te noteren, tenzij de speler remise claimt op grond van artikel 9.2 of 9.3. Een speler mag een zet van zijn tegenstander beantwoorden alvorens die te noteren, als hij dit wenst. Hij moet zijn vorige zet opschrijven voordat hij een nieuwe doet. Het aanbieden van remise moet door beide spelers worden genoteerd (E12). Als een speler niet in staat is te noteren, mag de speler gebruik maken van een door hem voorgestelde assistent om de zetten te noteren. Deze assistent moet voor de arbiter aanvaardbaar zijn. De hem toegewezen bedenktijd wordt zoveel verminderd als de arbiter juist acht. |
|
8.2 |
Het notatieformulier moet tijdens de hele partij zichtbaar zijn voor de arbiter. |
|
8.3 |
De notatieformulieren zijn eigendom van de organisator van de wedstrijd. |
|
8.4 |
Als een speler minder dan 5 minuten over heeft op zijn klok en er niet minstens 30 seconden per zet wordt toegevoegd, dan is hij niet verplicht zich aan de vereisten van artikel 8.1 te houden. Onmiddellijk nadat een vlag is gevallen, moet de speler zijn notatieformulier volledig bijwerken, alvorens een zet op het schaakbord te doen. |
|
8.5
|
|
|
8.6 |
Als niet kan worden aangetoond dat een speler het vereiste aantal zetten heeft gedaan, omdat de notatieformulieren niet kunnen worden bijgewerkt, dan wordt de eerstvolgende zet beschouwd als de eerste van de volgende periode, tenzij het duidelijk is dat er meer zetten zijn gedaan. |
|
8.7 |
Aan het eind van de partij dienen beide spelers beide notatieformulieren te ondertekenen, waarbij de uitslag van de partij wordt aangegeven. Zelfs als dit incorrect is, blijft deze uitslag gehandhaafd tenzij de arbiter anders beslist. |
Artikel 9: Remise
|
9.1
|
|
|
9.2
|
De partij is remise, als een aan zet zijnde speler terecht claimt dat dezelfde stelling voor minstens de derde keer (niet noodzakelijkerwijs door opeenvolgende herhaling van zetten)
Stellingen bedoeld onder (a) en (b) worden geacht dezelfde te zijn, als dezelfde speler aan zet is, stukken van dezelfde soort en kleur dezelfde velden bezetten, en de zetmogelijkheden van alle stukken van beide spelers dezelfde zijn. |
|
9.3
|
De partij is remise, als een aan zet zijnde speler terecht claimt dat
|
|
9.4 |
Als een speler een zet doet zonder remise te hebben geclaimd, dan verliest hij bij deze zet het recht om op grond van artikel 9.2 of 9.3 te claimen. |
|
9.5
|
Als een speler remise claimt op grond van artikel 9.2 of 9.3, dan zet hij onmiddellijk beide klokken stil. Hij mag zijn claim niet intrekken.
|
|
9.6 |
De partij is remise als een stelling is bereikt waarin mat niet mogelijk is door welke reeks reglementaire zetten dan ook, zelfs bij het slechtst mogelijke tegenspel. Dit beëindigt de partij onmiddellijk, mits de zet waardoor deze stelling tot stand kwam reglementair was. |
Artikel 10: Versneld beëindigen
|
10.1 |
"Versneld beëindigen" betreft de periode van een partij waarin alle resterende zetten moeten worden gedaan in een begrensde bedenktijd. |
|
10.2
|
Als de aan zet zijnde speler minder dan 2 minuten op zijn klok over heeft, dan mag hij remise claimen voor zijn vlag valt. Hij moet de klokken stilzetten en de arbiter waarschuwen.
|
Artikel 11: De score
|
11.1 |
Tenzij vooraf anders is aangekondigd, krijgt een speler die zijn partij wint, of reglementair wint, één punt (1), een speler die zijn partij verliest of reglementair verliest krijgt geen punten (0), en een speler die remise speelt krijgt een half punt (½). |
Artikel 12: Het gedrag van de spelers
|
12.1 |
De spelers dienen zich te onthouden van handelingen waardoor het schaakspel in diskrediet wordt gebracht. |
|
12.2 |
|
|
12.3 |
Het notatieformulier mag alleen worden gebruikt om de zetten, de kloktijden, de remise-aanbiedingen, zaken betreffende een claim en andere relevante gegevens te noteren. |
|
12.4 |
Spelers die hun partij hebben beëindigd, worden als toeschouwers beschouwd. |
|
12.5 |
Het is de spelers niet toegestaan het "spelersgebied" te verlaten zonder toestemming van de arbiter. Onder spelersgebied wordt verstaan: de speelruimte, toiletten, koffiekamer, rookruimte en andere door de arbiter aangewezen ruimten. De aan zet zijnde speler mag de speelruimte niet verlaten zonder toestemming van de arbiter. |
|
12.6 |
Het is verboden de tegenstander, op welke wijze dan ook, af te leiden of te hinderen. Hieronder vallen ook onredelijke claims of onredelijke remise-aanbiedingen. |
|
12.7 |
Overtreding van enig deel uit de artikelen 12.1 tot en met 12.6 moet leiden tot straffen overeenkomstig artikel 13.4. |
|
12.8 |
Wanneer een speler herhaaldelijk weigert zich aan de Regels voor het Schaakspel te houden, wordt hij bestraft met het verlies van de partij. De score van de tegenstander moet door de arbiter worden vastgesteld. |
|
12.9 |
Als beide spelers schuldig zijn volgens artikel 12.8, dan moet de partij voor beide spelers verloren worden verklaard. |
Artikel 13: De taak van de arbiter (zie Voorwoord)
|
13.1 |
De arbiter moet erop toezien dat de Regels voor het Schaakspel strikt worden nageleefd. |
|
13.2 |
De arbiter moet zodanig optreden dat de wedstrijd optimaal verloopt. Hij moet zorgen voor goede speelomstandigheden en dat de spelers niet worden gehinderd. Hij moet toezien op het verloop van de wedstrijd. |
|
13.3 |
De arbiter houdt de partijen in het oog, zeker als de spelers weinig tijd hebben. Hij moet erop toezien dat door hem genomen beslissingen worden uitgevoerd, en de spelers zonodig bestraffen. |
|
13.4 |
De arbiter kan een of meer van de volgende straffen opleggen.
|
|
13.5 |
De arbiter mag een of beide spelers extra bedenktijd toekennen bij van buiten komende verstoring van de partij. |
|
13.6 |
De arbiter mag niet ingrijpen in een partij tenzij in gevallen, beschreven in de Regels voor het Schaakspel. De arbiter mag niet meedelen hoeveel zetten er zijn gedaan, behalve zoals vermeld in artikel 8.5 als tenminste één vlag is gevallen. De arbiter mag een speler niet informeren dat zijn tegenstander een zet heeft voltooid of dat de speler zijn klok niet heeft ingedrukt. |
|
13.7 |
|
Artikel 14: FIDE
|
14 |
Aangesloten federaties mogen FIDE vragen om een officiële beslissing te nemen over problemen betreffende de Regels voor het Schaakspel. |
Aanhangsels
A. Afgebroken partijen
|
A1
|
|
|
A2
|
Op de envelop moeten worden vermeld:
|
|
A3 |
De arbiter moet de juistheid van de gegevens op de envelop controleren en is verantwoordelijk voor het bewaren er van. |
|
A4 |
Als een speler remise aanbiedt nadat zijn tegenstander een zet heeft afgegeven, dan is dit aanbod geldig totdat zijn tegenstander het heeft aangenomen of afgewezen zoals in artikel 9.1. |
|
A5 |
Voor de hervatting van de partij moet de stelling waarin werd afgebroken, op het schaakbord worden opgezet, en de door elk der spelers verbruikte bedenktijd op de klok worden ingesteld. |
|
A6 |
Als vóór de hervatting remise is overeengekomen of een van de spelers de arbiter heeft laten weten dat hij opgeeft, dan is de partij beëindigd. |
|
A7 |
De envelop wordt pas geopend als de speler die moet antwoorden op de afgegeven zet, aanwezig is. |
|
A8 |
Behalve in de gevallen genoemd in de artikelen 6.10 en 9.6 is de partij verloren voor de speler wiens afgegeven zet:
|
|
A9
|
Als op het afgesproken aanvangstijdstip van de hervatting
|
|
A10 |
De speler verliest de partij als hij meer dan een uur te laat aan het schaakbord verschijnt voor de hervatting van een afgebroken partij (tenzij de regels voor de wedstrijd of de arbiter anders beslissen). Maar als de speler die de zet heeft afgegeven te laat is, wordt anders beslist als:
|
|
A11 |
|
|
A12 |
Als een speler, voordat hij bij de hervatting zijn eerste zet doet, erop wijst dat de verbruikte bedenktijd onjuist op een klok is ingesteld, dan moet dit worden gecorrigeerd. Als deze fout dan niet wordt geconstateerd, gaat de partij verder zonder correctie, tenzij de arbiter de consequenties te ernstig vindt. |
|
A13 |
De duur van elke zitting met afgebroken partijen wordt bepaald aan de hand van de klok van de arbiter. Begin- en eindtijd worden van te voren bekend gemaakt. |
B. Rapidschaak
|
B1 |
Bij "rapidschaak" moeten alle zetten worden gedaan binnen een vastgestelde tijd van minimaal 15 en maximaal 60 minuten per speler; of de toegekende tijd + 60 maal de toegevoegde tijd per zet is minimaal 15 en maximaal 60 minuten per speler. |
|
B2 |
De FIDE Regels voor het Schaakspel zijn van kracht, tenzij de volgende Regels voor Rapidschaak anders aangeven. |
|
B3 |
Spelers behoeven hun zetten niet op te schrijven. |
|
B4 |
Zodra een speler drie zetten heeft gedaan kan hij geen claim meer indienen met betrekking tot een onjuiste beginopstelling, een verkeerd geplaatst schaakbord of de instelling van de klok. In het geval van omgekeerde plaatsing van koning en dame is rokeren met deze koning niet toegestaan. |
|
B5 |
De arbiter moet slechts een beslissing nemen volgens artikel 4 (Het uitvoeren van een zet) als hem dit wordt gevraagd door een of beide spelers. |
|
B6 |
Een onreglementaire zet is voltooid nadat de klok van de tegenstander in werking is gesteld. De tegenstander is daarna gerechtigd de onreglementaire zet te claimen. Hij behoudt dit recht totdat hij een zet heeft gedaan. De arbiter zal alleen een beslissing nemen na een claim van een speler. Staan echter beide koningen schaak of is een promotie van een pion niet voltooid, dan moet de arbiter, zo mogelijk, ingrijpen. |
|
B7 |
De vlag wordt geacht te zijn gevallen na een terechte, desbetreffende claim door een speler. De arbiter mag het vallen van de vlag niet melden. |
|
B8 |
Om de winst na tijdsoverschrijding te claimen moet betrokkene beide klokken stilzetten en de arbiter hiervan in kennis stellen. De claim wordt slechts toegewezen als de vlag van degene die claimde niet en die van zijn tegenstander wel is gevallen na het stilzetten van de klokken. |
|
B9 |
Als beide vlaggen zijn gevallen, is de partij remise. |
C. Snelschaak
|
C1 |
Bij "snelschaak" moeten alle zetten worden gedaan binnen een vastgestelde tijd, minder dan 15 minuten per speler; of de toegekende tijd + 60 maal de toegevoegde tijd per zet is minder dan 15 minuten per speler. |
|
C2 |
Partijen worden gespeeld volgens de Regels voor Rapidschaak van aanhangsel B, tenzij hier anders is bepaald in de volgende Regels voor het Snelschaak. De artikelen 10.2 en B6 zijn niet van toepassing. |
|
C3 |
Een onreglementaire zet is voltooid zodra de klok van de tegenstander aan de gang is gebracht. De tegenstander mag daarna de winst claimen voordat hij zelf een zet heeft gedaan. Als de tegenstander echter de koning van de speler nooit mat kan zetten, door welke reeks reglementaire zetten dan ook (zelfs bij het slechts mogelijke tegenspel), dan mag de speler remise claimen voordat hij zelf een zet heeft gedaan. Wanneer de tegenstander zelf een zet heeft gedaan, dan kan een onreglementaire zet niet meer worden hersteld. |
D. Versneld beëindigen buiten aanwezigheid van een arbiter
|
D1
|
Als partijen worden gespeeld als in artikel 10, dan mag een speler remise claimen als hij minder dan 2 minuten op zijn klok over heeft en voor zijn vlag is gevallen. Dit beëindigt de partij. Hij mag claimen op basis van
In (a) moet de speler de eindstelling opschrijven en zijn tegenstander dit verifiëren. In (b) moet de speler de eindstelling opschrijven en een volledig bijgewerkt notatieformulier overleggen. De tegenstander moet het notatieformulier en de eindstelling verifiëren. De claim moet worden gezonden aan een arbiter, wiens beslissing bindend is. |
E. De notatie van schaakpartijen
FIDE erkent voor haar eigen toernooien en matches slechts één systeem van noteren, het algebraïsch systeem, en beveelt het gebruik van deze uniforme schaaknotatie ook aan voor boeken en tijdschriften. Notatieformulieren met een andere notatie mogen niet worden gebruikt als bewijs in gevallen waarin normaal het notatieformulier van een speler daartoe wordt gebruikt. Een arbiter die ziet dat een speler een andere notatie gebruikt, moet hem wijzen op wat vereist is.
Beschrijving van het Algebraïsch Systeem
|
E1 |
In deze beschrijving wordt met "stuk" een stuk ongelijk aan een pion bedoeld. |
|
E2 |
Elk stuk wordt aangeduid door de beginletter -een hoofdletter- van zijn naam, Voorbeelden: K = koning, D = dame, T = toren, L = loper en P = paard. |
|
E3 |
Een speler mag als eerste letter de letter gebruiken van de naam die gemeengoed is in zijn land. In gedrukte publicaties wordt het gebruik van figurines aanbevolen. |
|
E4 |
Pionnen worden niet aangeduid door een beginletter; ze zijn herkenbaar door het ontbreken van zo'n letter. Voorbeelden: e5, d4, a5. |
|
E5 |
De acht lijnen zijn (voor wit van links naar rechts, voor zwart van rechts naar links) aangeduid door de kleine letters a, b, c, d, e, f, g en h. |
|
E6 |
De acht rijen zijn (voor wit van onder naar boven, voor zwart van boven naar onder) genummerd met 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8. In de beginopstelling staan de witte stukken dus op de 1e en 2e rij, de zwarte op de 7e en 8e rij. |
|
E7
|
Uit het voorgaande volgt dat elk veld onveranderlijk wordt aangeduid door de combinatie van een letter en een cijfer.
|
|
E8 |
Elke zet wordt aangeduid door: (a) de beginletter van het stuk, en (b) het veld van aankomst. Tussen (a) en (b) wordt geen koppelteken geplaatst. Voorbeelden: Le5, Pf3, Td1. Bij pionzetten wordt alleen het aankomstveld genoteerd. Voorbeelden: e5, d4, a5. |
|
E9 |
Wanneer een stuk slaat, wordt een x geplaatst tussen (a) de beginletter van het stuk, en (b) het veld van aankomst. Voorbeelden: Lxe5, Pxf3, Txd1. Wanneer een pion slaat, wordt niet alleen het aankomstveld opgeschreven, maar ook de lijn van vertrek. Voorbeelden: dxe5, gxf3, axb5. Als een pion "en passant" slaat, dan is het aankomstveld het veld waar de pion na deze zet staat en wordt "e.p." aan de notatie toegevoegd. Voorbeeld exd6 e.p.. |
|
E10
|
Wanneer twee identieke stukken naar hetzelfde veld kunnen worden verplaatst, wordt de zet als volgt genoteerd:
Voorbeelden:
Als er op f3 iets wordt geslagen, dan veranderen bovenstaande notaties door invoeging van een x: (1) Pgxf3 resp. Pexf3; (2) P5xf3 resp. P1xf3; (3) Phxf3 resp. Pdxf3. |
|
E11 |
Wanneer twee pionnen hetzelfde stuk of dezelfde pion van de tegenstander kunnen slaan, wordt de zet aangeduid door: (a) de letter van de lijn van vertrek, (b) een x, (c) het veld van aankomst. Voorbeeld: op c4 en op e4 staat een witte pion. Op d5 staat een zwarte pion of een zwart stuk. De notatie van de witte zet is cxd5 resp. exd5. |
|
E12 |
In geval van promotie van een pion wordt de feitelijke pionzet genoteerd, onmiddellijk gevolgd door de beginletter van het nieuwe stuk. Voorbeelden: d8D, f8P, b1L, g1T. |
|
E13 |
Een remiseaanbod wordt genoteerd als (=). |
Belangrijke afkortingen:
|
0-0 |
= |
rokade met toren h1 of toren h8 (korte rokade) |
|
0-0-0 |
= |
rokade met toren a1 of toren a8 (lange rokade) |
|
x |
= |
slaan |
|
+ |
= |
schaak |
|
++ of # |
= |
mat |
|
e.p. |
= |
"en passant" slaan |
Voorbeeldpartij:
1. e4 e5 2. Pf3 Pf6 3. d4 exd4 4. e5 Pe4 5. Dxd4 d5 6. exd6 e.p. Pxd6 7. Lg5 Pc6 8. De3+ Le7 9.Pbd2 0-0 10. 0-0-0 Te8 11. Kb1(=)
F. Regels voor het schaken met blinden en visueel gehandicapte spelers
|
F1
|
Arbiters hebben de bevoegdheid om de volgende regels aan te passen overeenkomstig de plaatselijke omstandigheden. Bij wedstrijdschaak tussen ziende en visueel gehandicapte spelers (juridisch blind) mag iedere speler om het gebruik van twee schaakborden verzoeken, de ziende speler gebruikt dan een normaal schaakbord, de visueel gehandicapte speler een speciaal geconstrueerd bord. Het speciaal geconstrueerde schaakbord dient aan de volgende eisen te voldoen:
|
|
F2
|
|


